Prijsuitreiking Karel Verleye - editie 2008 Eerste prijs ter waarde van 1000 euro: Mart Vanhee (Universiteit Gent)
Tweede prijs ter waarde van 500 euro: Annelore Ost (Universiteit Gent)
Derde prijs ter waarde van 250 euro: Evi Roelen (Universiteit Antwerpen)
Eerste prijs
Het eindwerk dat de eerste prijs ter waarde van 1000 euro in de wacht sleept is het eindwerk van Mart Vanhee (EU-studies, UGent, promotor Prof. Orbie)

Adri Geerts, de minister provinciaal van de Vlaamse kapucijnen, overhandigt de eerste Prijs aan Mart Vanhee.
De titel van de eerste prijs luidt: “De invloed van de EU in de democratisering en mensenrechtensituatie van haar buurlanden via het Europees nabuurschapsbeleid. Casestudy: Oekraïne”.
Uit de winter van 2004 herinnert u zich nog de oranje revolutie in Oekraïne. Een Europees gezinde oppositie kwam aan de macht, ten kost van een pro-Russische regering.
De nieuwe president Yuschenko wilde lid worden van de EU, maar dat ging niet zomaar. Wel werd Oekraïne een test-case voor het nieuwe Europese Nabuurschapsbeleid van de EU.
Bedoeling van dat beleid o.a.: het welvaartspeil bevorderen, handel drijven, samen grensoverschrijdende problemen aanpakken (bv. illegale migratie). Ook wil Europa democratie en mensenrechten ondersteunen in Oekraïne. Maar hoe pakt Europa dat concreet aan? Hoe kan Europa Oekraïne in de goeie richting beïnvloeden?
Het staat vast dat Europa van grote invloed was op de Centraal en Oost-Europese landen. Door voorwaarden te stellen voor toetreding tot de EU werden daar grote veranderingen gerealiseerd. De vraag is of landen ook beïnvloed kunnen worden door Europa, zonder dat daar de hoofdprijs van toetreding aan verbonden is.
Om dat te onderzoeken maakt Mart Vanhee gebruik van Schimmelfennigs model.
Ze concludeert dat Oekraïne wel degelijk beïnvloed wordt. Van het Europese model gaat een zeker overtuigingskracht uit. Wel dreigt de Oekraïense elite van jaren aandringen op toetreding wat gefrustreerd zou kunnen raken. Daarom is het van belang dat nu al perspectief gegeven wordt op toegang tot de grote Europese markt.
Mart Vanhee argumenteert dat het Europees NabuurschapsBeleid meer de nadruk moet leggen op het feit dat Nabuurschap in feite een doel op zich is, eerder dan een toegangsweg naar EU-lidmaatschap. Op die manier kunnen frustraties worden vermeden. Het is duidelijk dat grote delen van de Europese bevolking weigerachtig staan tegenover verdere uitbreidingen, en bovendien zou de EU Rusland voor het hoofd kunnen stoten door aanhechting van Oekraïne. Dat maakt snelle toetreding onrealistisch. Maar goed nabuurschap en samenwerking is ondertussen wel van het grootste belang.
Opvallend en indrukwekkend aan de eindverhandeling van Mart Vanhee is de doorgedreven consequentie. Heel systematisch toetst ze de elementen van 'Schimmelfennings model'. Op het einde volgt dan een duidelijke en geloofwaardige eindconclusie omtrent de implementatie van cruciale waarden van de EU. De thematiek van mensenrechten en democratisering past ook perfect bij de vergeten factoren van Karel Verleye.
Tweede prijs
Het werk van Annelore Ost (Master EU-Studies, UGent, Promotor Prof. Vos) krijgt de tweede prijs van de jury. “Het antidopingbeleid van de Europese Unie: positieve sfeer, negatieve resultaten”, dat is de titel van het werk van Annelore Ost.
Frieda Brepoels, Europarlementslid voor NV-A, reikt de tweede prijs uit aan Annelore Ost.
Annelore Ost opent met de volgende bedenking:
“Vorige zomer werd volop becijferd hoeveel medailles de EU zou behaald hebben op de Olympische spelen, als de EU in Peking als 1 team was opgetreden. Trots stelden we vast dat het er meer zouden zijn dan de VS, Rusland of zelfs China. Toch is het niet zo’n vanzelfsprekende combinatie: sport en de EU.
De laatste jaren komt ‘sport’ wel meer in het vizier van de Europese besluitvormers. Met het Verdrag van Lissabon zou de Unie zelfs expliciet de bevoegdheid krijgen om een coördinerende rol te spelen in het sportbeleid van de lidstaten.
Annelore Ost spitst zich toe op één onderdeel van het sportbeleid: anti-doping. Ze stelt dat het Europese niveau wel ideaal lijkt om dit grensoverschrijdend probleem aan te pakken. Of met een boutade: een verdachte renner die niet in de Tour mag starten, maar wel in de Giro of de Vuelta… dat gaat natuurlijk niet.
De vraag die Annelore zich stelt is de volgende: hoe komt een nieuw beleidsdomein (zoals anti-doping) terecht “in het web van de Europese integratie”?
Ze formuleert een aantal hypotheses.
Zou anti-doping op de Europese agenda gekomen zijn door het zogenaamde spillover-effect? De idee is dat Europese integratie start in één bepaald domein, maar dat automatisch andere domeinen betrokken raken, die zo meegesleept worden naar het Europees niveau.
In dit geval stelt Annelore dat Volksgezondheid sinds langere tijd een agendapunt is van de EU. De EU promoot gezondheid via beweging en sport.
Maar de voetbalfans onder ons zullen ook het Bosmanarrest kennen, wat met de werking van de interne markt te maken had.
Anderzijds zou de actualiteit ook een rol spelen om iets op de Europese agenda te krijgen. De rampzalige doping Tour de France van 1998 zou voor een doorbraak hebben gezorgd.
Na haar onderzoek besluit Annelore Ost dat spillover zeker speelt, maar dat beroering in de publieke opinie zorgt voor stroomversnellingen. Wanneer die beroering wegebt, verdwijnt het onderwerp weer even in de koelkast.
Het werk van Annelore Ost wordt gekenmerkt door een vlotte schrijfstijl. Het onderwerp is ook origineel en goed uitgewerkt.
Derde Prijs De derde prijs ter waarde van 250 euro gaat naar Evi Roelen (Master in de Internationale politiek van de Universiteit Antwerpen, promotor Prof Bursens).
Bram Van Damme, coördinator van de Stichting Ryckevelde, overhandigt de derde prijs aan Evi Roelen. De titel van haar eindwerk luidt als volgt: “Eén kloppend hart voor de EU? Of waarom twaalf lidstaten supranationale dan wel intergouvernementele integratie prefereren voor het Europees Veiligheids- en Defensiebeleid”
Die titel is een flinke boterham…
Wat bedoelt Evi Roelen met die beeldspraak van dat kloppend hart?
Ze stelt dat orde handhaven (Veiligheidsbeleid) en bescherming t.o.v. het buitenland (Defensiebeleid) tot de kern, tot het hart van elke nationale staat behoren. Daarom zou je kunnen denken dat landen steeds bijzonder op hun hoede zijn voor elke overdracht van deze macht aan een ander niveau. Toch zien we dat sommige landen een Europees Veiligheidsbeleid en Defensiebeleid willen, terwijl andere landen dat helemaal niet willen.
Hoe komt dat? Wat zit daar achter? Waarom willen sommige landen dat dit supranationaal aangepakt wordt (“boven het nationaal niveau regelen”), en waarom willen anderen dat dit intergouvernementeel blijft (“tussen regeringen afspraken maken”)?.
Concreet kwam Evi Roelen tot de bevinding dat België, Duitsland, Griekenland, Italië, Luxemburg en Oostenrijk eerder kiezen voor de supranationale aanpak.
Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Nederland en Finland kiezen meer voor de intergouvernementele aanpak.
Ze test 4 hypotheses uit.
1. Grote landen met veel macht, hebben het Europees niveau minder nodig om in de wereldpolitiek gehoord te worden. Kleintjes zullen via Europa meer invloed, veiligheid en bescherming zoeken.
2. Vermoeden dat Europese landen die kritisch staan tegenover de VS meer belang zullen hechten aan een Europa dat met één stem spreekt in de wereld. Landen die traditioneel sterk pro-Amerikaans zijn, zullen meer voor intergouvernementele samenwerking zijn. Op die manier kunnen ze steeds de kant van hun sterke bondgenoot kiezen.
3. Landen die een sterke nationale eigenheid en identiteit hebben, zullen meer intergouvernementeel denken. Landen met een pro-Europese bevolking zullen meer supranationaal denken.
4. Landen willen internationale instellingen die hen vertrouwd aanvoelen.
Federale landen zijn het gewoon om bevoegdheden over verschillende niveaus te verdelen (tussen deelstaten en federale staat). Daar kan dan nog wel een Europees niveau bij.
Centralistische landen (Frankrijk, VK) zullen echter meer intergouvernementeel gericht zijn.
Evi Roelen werkt een hele systematiek uit om die hypotheses te toetsen. Aan elke hypothese worden meetbare indicatoren gekoppeld. Ze gebruikt hierbij de zogenaamde Qualitative Comparative Analysis methodiek.
Ze komt tot de conclusie dat vooral de houding tov de VS, en de structuur van het eigen land (federaal versus centraal bestuurd), bepalend zijn voor intergouvernementeel versus supranationaal denken.
Prijs Karel Verleye?
Welke studenten van de Vlaamse universiteiten en hogescholen komen voor deze prijs in aanmerking?
Dat zijn de studenten die hun eindwerk schreven over de “vergeten factoren” van het Europese eenwordingsproces.
Karel Verleye, de founding father van Ryckevelde, had vastgesteld dat de Europese éénwording nogal éénzijdig economisch gericht was. Zéér ten onrechte werden andere thema’s vergeten: het “sociale”, het “culturele”, het “educatieve”, het “religieuze”, het “ ethische”. De menselijke kant van ons Europa bleef dus onderbelicht, zodat Karel Verleye vreesde dat een dergelijke economische samenwerking maar weinig enthousiasme zou oproepen. In de lijn hiervan komen naast de “vergeten factoren” ook eindwerken met als thema de “relatie van de burger met Europa in aanmerking.
Jury? Dit jaar bestond onze onafhankelijke vierkoppige jury uit Prof. Léonce Bekemans (onze voorzitter), Oud-docent bij Ryckevelde Hugo Gerard, Professor Sophie Van Hoonacker (Universiteit van Maastricht), en Steven Debaere (oud medewerker van Ryckevelde en nu docent van de KHBO-hogeschool in Brugge).
Inzendingen van 2008
Dit jaar hebben in totaal zestien studenten hun eindwerk ingezonden.
- Acht eindwerken waren afkomstig van de Universiteit Gent
- vier van de Katholieke Universiteit Leuven,
- twee van de Universiteit Antwerpen.
- en twee van de Lessius Hogeschool uit Antwerpen.
Al enkele jaren gaat het aantal ingezonden werken de hoogte in. In 2007 ontvingen we elf werken. Het jaar ervoor een negental. Het is leuk te zien dat de Prijs Karel Verleye een traditie aan het worden is, en meer en meer bekend wordt bij de hogescholen en universiteiten.
Dankwoord Ryckevelde bedankt de Vlaamse Kapucijnen voor het belang dat zij blijven hechten aan de persoon en het werk van Karel Verleye. De Kapucijnen zorgden ervoor dat deze Prijs kan worden uitgereikt.