Denk je dat het Belgisch voorzitterschap van de EU, zal lijden onder de huidige regeringscrisis?
Gelieve uw emailadres in te geven.
Prijsuitreiking Karel Verleye - editie 2007
Op zaterdag 8 december 2007 heeft Ryckevelde voor de vierde keer de Prijs Karel Verleye uitgereikt. Dit gebeurde onder grote belangstelling, in het kader van ons event "een dag Europa in Brussel".
De prijs Karel Verleye bekroont de beste eindwerken over de ‘vergeten factoren van het Europese éénwordingsproces’, geschreven door studenten van Vlaamse universiteiten en hogescholen. Ook eindwerken die de ’relatie van de burger met Europa’ behandelen komen in aanmerking.
Karel Verleye (1920-2002), de oprichter van Ryckevelde, stelde vast dat de Europese éénwording nogal éénzijdig economisch gericht was. Zéér ten onrechte werden andere thema’s vergeten: het “sociale”, het “culturele”, het “educatieve”, het “religieuze”, het “ ethische”. De menselijke kant van Europa bleef volgens hem onderbelicht. Hierdoor vreesde hij een gebrek aan belangstelling en enthousiasme voor de Europese samenwerking onder de Europese bevolking.
Het eindwerk van Petra Huyst (promotor Prof. Hendrik Vos, Politieke Wetenschappen, UGent), met als titel “We have made Europe, now we have to make Europeans” wint de eerste prijs ter waarde van 1000 euro.
De tweede prijs ter waarde van 500 euro gaat naar het eindwerk van Arianne Sanders (promotor Prof. Stefaan Fiers, Politieke Wetenschappen, KULeuven). Het werk draagt als titel: “Europa in de klas. Een onderzoek naar de effecten van Europees projectwerk in secundair schoolverband”.
Tina Kuypers (Opleiding Journalistiek van de Lessius Hogeschool) wint de derde prijs ter waarde van 250 euro. De titel van haar eindwerk luidt als volgt: “De pers en Europa. Dragen de media bij tot de kloof tussen de Europese Unie en haar burgers?”
Wim Van Lancker (Promotor: Prof. Loobuyck, Politieke wetenschappen, UGent) krijgt een speciale vermelding met zijn verhandeling “Recht op luiheid? Een politiek-filosofische analyse van het basisinkomen in het kader van een sociaal Europa”.
Bespreking EERSTE PRIJS:
Het eindwerk van Petra Huyst (promotor Prof. Hendrik Vos, Politieke Wetenschappen, UGent), met als titel “We have made Europe, now we have to make Europeans” wint de eerste prijs ter waarde van 1000 euro.
De titel van de eerste prijs luidt: “We have made Europe, now we have to make Europeans”.
Petra Huyst bestudeert kritisch de communicatie-inspanningen van Europa. Zij gaat na hoe de EU-campagnes worden beleefd bij Vlaamse jongeren. Welk beeld hebben de Vlaamse jongeren van de Unie? Heeft men er affiniteit mee of meer zelfs, kan er sprake zijn van een Europese identiteit? De rol van campagnes, brochures en symbolen in dit alles wordt belicht.
Het werk is opgebouwd uit twee grote luiken; een eerste, theoretisch luik gaat over de vorming van een Europese identiteit, over de rol die communicatie hierbij speelt, de vorming van politiek bewustzijn bij jongeren.
Het tweede luik is empirisch van aard. De auteur belicht haar onderzoek bij Vlaamse jongeren uit de derde graad ASO, TSO en BSO belicht. Ze bevraagt deze jongeren enerzijds aan de hand van een schriftelijke enquête, en anderzijds mondeling aan de hand van zes focusgroepen. Telkens gingen de vragen over politieke interesse, kennis over de Unie, beeldvorming over de Unie, aanwezigheid van een Europese identiteit.
Op basis van haar onderzoek formuleert Petra Huyst een vijftal heel concrete aanbevelingen voor het communicatiebeleid van de Europese Unie (vooral m.b.t. de communicatie naar jongeren toe):
Ze komt tot vijf aandachtspunten:
1. “Go daily”: de EU moet illustreren wat de impact van haar werking is op het dagelijkse leven van iedereen, en van jongeren in het bijzonder.
2. “Keep it simple”: de EU moet communiceren in een toegankelijke taal.
3. “Play and interaction”: de communicatie moet in twee richtingen gaan: niet enkel passief ontvangen van info, maar zelf deelnemen via debatten, projecten, workshops, bezoek aan de instellingen.
4. “Mixed platforms”: jongeren kunnen het best in aanraking komen met de EU via diverse media of kanalen. Een TV-programma over de EU voor jongeren zou een goede zaak zijn.
5. “Education as Gate Opener”: onderwijs over de Unie is een eerste maar noodzakelijke stap om meer interesse te krijgen in de Unie.
Dit eindwerk is overduidelijk relevant voor de Prijs Karel Verleye. Bovendien is er een goed evenwicht aanwezig tussen theorie en praktijk, met een goed opgebouwd empirisch onderzoek. 
Minister-provinciaal van de Vlaamse kapucijnen Adri Geerts overhandigt de eerste prijs aan Petra Huyst.
Bespreking TWEEDE PRIJS:
De tweede prijs ter waarde van 500 euro gaat naar het eindwerk van Arianne Sanders (promotor Prof. Stefaan Fiers, Politieke Wetenschappen, KULeuven). Het werk draagt als titel: “Europa in de klas. Een onderzoek naar de effecten van Europees projectwerk in secundair schoolverband”.
In dit eindwerk staat het onderzoek naar Europees burgerschap centraal. De effecten van Europese uitwisselingsprojecten in schoolverband bij jongeren in het secundair onderwijs worden in kaart gebracht. Het is een thema dat overduidelijk aansluit bij de werking van Ryckevelde, want Ryckevelde begeleidt bijna dagelijks Vlaamse scholen die met andere partnerscholen uit Europa samenwerken.
Er wordt in het werk op een empirische manier onderzocht of deelname van leerlingen aan een Europees uitwisselingsproject effect heeft op hun attitudes, vaardigheden en kennis, of ze meer participeren in de samenleving en over betere kennis inzake Europese actualiteit, de rechten van de burgers van de Europese Unie of de lidstaten beschikken.
Er werd onderzoek gevoerd bij enkele honderden leerlingen uit tien verschillende scholen.
Arianne Sanders besluit uit haar onderzoek dat deelname aan een Europees uitwisselingsproject wel degelijk een positief effect heeft op de kennis van de lidstaten van de Europese Unie. Anderzijds blijkt dat deelname aan een project geen onmiddellijk effect had op de maatschappelijke interesse van de leerlingen, of op de houding tov de Europese Unie. 
Europarlementstlid Bart Staes overhandigt de tweede prijs aan Arianne Sanders
Bespreking DERDE PRIJS:
Tina Kuypers (Opleiding Journalistiek van de Lessius Hogeschool) wint de derde prijs ter waarde van 250 euro. De titel van haar eindwerk luidt als volgt: “De pers en Europa. Dragen de media bij tot de kloof tussen de Europese Unie en haar burgers?”
In dit werk gaat ze op zoek naar het aandeel van de media in de kloof tussen de Europese Unie en haar burgers.
De onderzoeksvraag luidt als volgt: “Kunnen de media werkelijk een rol spelen bij het instandhouden of inperken van die kloof?”
Tina Kuypers benadert het onderwerp zowel vanuit een wetenschappelijk als journalistiek standpunt.
In het eerste, wetenschappelijke, deel haalt ze enkele theorieën aan die verduidelijken hoe de massamedia van invloed kunnen zijn op hetgeen hun kijkers, lezers en luisteraars belangrijk vinden. Zij past deze theorie toe: zij gaat na in welke mate de media van invloed zijn op het belang dat de burger hecht aan de Europese Unie.
Het tweede deel bestaat uit een artikelenreeks waarin Tina Kuypers nagaat wat de kloof tussen de Europese Unie en haar burgers precies is en welke factoren aan de basis van die kloof liggen.
Tina Kuypers komt tot de conclusie dat de media wel degelijk een erg belangrijke rol spelen bij het informeren van de burgers over Europa. .jpg)
Broeder kapucijn Hugo Gerard overhandigt de derde prijs aan Tina Kuypers
Bespreking SPECIALE VERMELDING:
Wim Van Lancker (Promotor: Prof. Loobuyck, Politieke wetenschappen, UGent) krijgt een speciale vermelding met zijn verhandeling “Recht op luiheid? Een politiek-filosofische analyse van het basisinkomen in het kader van een sociaal Europa”).
Deze vermelding komt er op vraag van het bestuur en de medewerkers van Ryckevelde.
Waarom een speciale vermelding?
In een klassieke eindverhandeling werken studenten normaal gezien als volgt:
zij stellen een onderzoeksvraag. Om op die vraag een antwoord te geven, verzamelen zij eerst feitenmateriaal. Dit feitenmateriaal wordt vervolgens zo objectief en neutraal mogelijk geanalysereerd.
De licentiaatsverhandeling van Wim Van Lancker (Universiteit Gent) wijkt hier van af. Eerder dan een onderzoeksvraag, stelt Wim Van Lancker een politiek-filosofische vraag.
Onder de wat provocerend gekozen titel “Recht op luiheid?”, onderzoekt hij of een universeel basisinkomen voor ieder lid van de Europese samenleving een te verrechtvaardigen optie zou kunnen zijn, om –tot wat hij noemt- een juiste samenleving te komen, juister dan wat nu in de Europese sociaal-solidaire welvaartstaten het geval is. Hij toetst zijn stelling via een analyse van wat een universeel basispensioen zou kunnen betekenen.
Deze op het eerste zicht droge materie weet de auteur op een boeiende en literair stijlvolle manier te verwerken. Zijn scriptie lees je in één adem uit.
MEER UITGEBREIDE SAMENVATTING EINDWERKEN (opgesteld door winnaars zelf):
EERSTE PRIJS:
“We have made Europe, now we have to make Europeans”
Petra Huyst, Politieke Wetenschappen, Universiteit Gent
Promotor: Prof. dr. Hendrik Vos
In dit werk wordt er getracht een antwoord te formuleren op een aantal cruciale en interessante vragen die zich situeren in de ‘kloof tussen burger en (Europese) politiek’- discussie.
De Europese Unie heeft enkele moeilijke jaren achter de rug en het licht aan het einde van de tunnel lijkt voorlopig nog niet in zicht. Vooral de afkeuring van de grondwet via referendum deed de beleidmakers in Brussel zichtbaar pijn. Deze afwijzing, gecombineerd met weinig hoopgevende Eurobarometerresultaten, deed bij ons de vraag rijzen naar de verbondenheid van (Vlaamse) jongeren met de Unie. Hoe groot is die (vermeende) kloof eigenlijk? Welk beeld heeft men van de Unie? Heeft men er affiniteit mee of meer zelfs, kan er sprake zijn van een Europese identiteit? Dergelijke basisvragen vormden het vertrekpunt van ons exploratief-kwalitatief opgevat onderzoek. Naast een diepgaande analyse van deze elementen, was het tevens ook de betrachting om een deelaspect, namelijk de rol van communicatie in dit alles, wat meer te belichten. Communicatie heeft echter diverse invullingen. Wij opteerden voor een afbakening tot communicatie zoals ze door de Unie zelf en meer specifiek door DG Communicatie de wereld wordt ingestuurd. We hebben het dan over campagnes, brochures, symbolen,….
Om deze analyse tot een goed einde te brengen is ons werk opgebouwd uit twee grote luiken. Het eerste, theoretisch, luik beslaat al de basisconcepten zoals identiteit, (Europese) identiteitsvorming, publieke sfeer,…, die noodzakelijk zijn om een afdoende onderbouw te bieden voor het eigen onderzoek. In deze vier, eerder theoretisch opgevatte hoofdstukken, wordt het bestaande onderzoeksveld grondig verkend en worden de nodige klemtonen gelegd. Het tweede, empirisch, luik sluit hier vervolgens naadloos op aan door zich te focussen op de bespreking van de eigen onderzoeksresultaten.
Het eigenlijke onderzoeksopzet bestond uit zes focusgroepen die plaatsvonden bij Vlaamse jongeren uit de derde graad ASO, TSO en BSO. Naast een korte schriftelijke enquête (6 vragen) werden er aan elke groep een aantal mondelinge vragen voorgelegd. Deze vragen waren onder te verdelen in vier grote thema’s, namelijk politieke interesse, kennis gelinkt aan imago/beeldvorming van de Unie, identiteit en rol van communicatie/onderwijs. Deze vier topics werden tijdens de gesprekken voldoende uitgediept en nadien verwerkt in een grondige analyse, waarbij het niet in de betrachtingen/mogelijkheden lag om veralgemenende uitspraken te doen, maar wel om een beter en genuanceerder beeld te krijgen van de houding van onze respondenten ten aanzien van de Unie (met speciale aandacht voor de rol van communicatie). Uit de bevindingen kwamen zo ondermeer zeven grote trends naar voren inzake de beeldvorming van de Unie, tevens kon er een ‘what to do’ lijstje inzake communicatie worden opgesteld en werden er verklaringen gegeven voor de relatief lage betrokkenheid van de respondenten met de Unie. De thesis wordt vervolgens afgesloten met een algemeen besluit waarin de eigen bijdrage aan het onderzoeksveld kritisch wordt geanalyseerd en waarin suggesties voor verder, aanvullend onderzoek worden gedaan.
TWEEDE PRIJS:
“Europa in de klas. Een onderzoek naar de effecten van Europees projectwerk in secundair schoolverband”.
Arianne Sanders, Politieke Wetenschappen, Katholieke Universiteit Leuven
Promotor: Prof. dr. Stefaan Fiers
Europa in de klas. De centrale onderzoeksvraag die achter deze titel schuilgaat, peilt
naar het effect van Europees projectwerk bij leerlingen in het secundair onderwijs.
In het kader van dit onderzoeksopzet werd aan 235 leerlingen in het secundair onderwijs een vragenlijst voorgelegd. Deze groep werd onderverdeeld in een experimentele en een controlegroep. Aan de experimentele groep werden twee bijkomende vereisten gesteld. Ten eerste moet het project waaraan de leerlingen deelnemen georganiseerd zijn in het kader van de Europese Unie. Deze keuze werd gemaakt omdat de Europese Unie een afgebakend geografisch en juridisch terrein is. Ten tweede is het noodzakelijk dat de leerlingen een feitelijke uitwisseling meemaken zodat ze een paar dagen in een ander land verblijven.
Om structuur te brengen in de talrijke onderzoeksvragen wordt de driedeling van Westheimer en Kahne gebruikt. Deze omvat drie aspecten van burgerschap: attitudes, vaardigheden en kennis. Toegepast op Europees projectwerk kunnen dan een aantal effecten verwacht worden. Ten eerste wordt verwacht dat leerlingen die deelnemen aan Europees projectwerk na afloop een meer positieve houding zullen hebben tegenover mens en maatschappij. Bovendien ligt het in de lijn van de verwachtingen dat leerlingen die deelnemen daarna meer zullen participeren in de maatschappij en het sociale leven. Tenslotte kan het verwacht worden dat deze leerlingen een meer uitgebreide kennis zullen bezitten van de Europese Unie, haar actualiteit en haar lidstaten.
Deze eindverhandeling bracht een aantal significante effecten aan het licht. Zo werd in de categorie attitudes aan de leerlingen gevraagd een schatting te maken van het percentage mensen die in België wonen maar er niet geboren zijn. De experimentele groep bleek na het projectwerk een meer realistische schatting kunnen geven van dit percentage. Een tweede vaststelling is dat de kennis van de leerlingen over de lidstaten van de Europese Unie toeneemt door deelname aan het uitwisselingsproject. Toch gaf het cijfermateriaal in de meerderheid van de onderzoeksvragen geen eenduidig antwoord. Mogelijke verklaringen hiervoor zijn de relatief beperkte steekproef, het beperkte tijdskader en het feit dat Europees projectwerk in Belgische context onvoldoende gekaderd wordt. Op die manier wordt een uitwisselingsproject een éénmalige impuls. Er is dus nood aan een betere integratie van Europees projectwerk in de ruimere schoolcontext.
DERDE PRIJS:
“De pers en Europa. Dragen de media bij tot de kloof tussen de Europese Unie en haar burgers?”
Tina Kuypers, Opleiding journalistiek, Lessius Hogeschool Antwerpen
Dit eindwerk bestaat uit een artikelenreeks over de rol van de media in de kloof tussen de Europese Unie en haar burgers. Meer specifiek wordt er nagegaan in welke mate de geschreven pers via haar berichtgeving bijdraagt tot het instandhouden van die kloof.
In een eerste artikel wordt er nagegaan hoe we die kloof tussen de burger en Europa precies kunnen omschrijven en waarom de kloof bestaat. Dat doen we op basis van een gesprek met EVP-voorzitter Wilfried Martens, wiens indrukwekkend Europees palmares hem zeker recht van spreken geeft. Nadien gaan we dieper in op het aandeel in die kloof van de media in het algemeen en de geschreven pers specifiek. Daarbij laten we verschillende actoren aan het woord. In eerste instantie geven we het woord aan enkele wetenschappers, die hun visie op het onderwerp geven. Nadien geven we een inkijk in de mening van enkele Europarlementsleden over het thema, waarna ook aan de krantenredacties zelf een kans gegeven wordt om hun keuzes omtrent Europa-berichtgeving toe te lichten. We eindigen ten slotte met de visie van de vertegenwoordiging van de Europese Commissie in België. Als voormalig journalist heeft het hoofd van die vertegenwoordiging, Willy Hélin, een interessante kijk op de problematiek.
De belangrijkste conclusie die uit de artikelenreeks kan worden getrokken, is dat de kloof tussen Europa en de burgers zeker niet de verantwoordelijkheid is van de geschreven pers. Hoewel zij via meer berichtgeving zeker voor een grotere betrokkenheid van de burger bij Europa zouden kunnen zorgen, blijkt de kloof in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de Europese Unie zelf. De geschreven pers noch de media in het algemeen is de propagandamachine van de Europese Unie. Als Europa er dus niet in slaagt om haar burgers via die weg te bereiken, dan is het aan de Unie om andere wegen te zoeken om haar burgers van haar belang te overtuigen, zo luidt de algemene overtuiging.
SPECIALE VERMELDING:
“Recht op luiheid? Een politiek-filosofische analyse van het basisinkomen in het kader van een sociaal Europa”.
Wim Van Lancker, Politieke Wetenschappen, Universiteit Gent
Promotor: Prof. dr. Loobuyck
Mensen willen een goed leven leiden. Hoe dat goed leven er precies uitziet verschilt echter van persoon tot persoon. Op basis van deze premissen ga ik in dit verhaal op zoek naar een samenlevingsmodel waarin mensen zo vrij als mogelijk zijn om het leven te leiden dat ze willen leiden, om hun idee van het goede leven in de praktijk te kunnen omzetten. In het eerste deel (Quo Vadis Iustitia) poog ik een theoretisch antwoord te formuleren op deze uitdaging. Aan de hand van een aantal gedachte-experimenten beland ik uiteindelijk in een theoretisch model waar aan ieder individu op regelmatige basis een universeel basisinkomen (BI) wordt verstrekt. Zonder vragen, zonder voorwaarden, zonder verplichting. Het basisinkomen wordt daarna geconfronteerd met de gepercipieerde plicht tot wederkerigheid (voor wat, hoort wat), het meest voorkomende menselijke bezwaar tegen de invoering van een BI. Aan de hand van vier argumenten wordt aangetoond dat een BI de wederkerigheid niet per se schendt.
Een theoretisch samenlevingsmodel is vanzelfsprekend waardeloos wanneer dit niet in de praktijk kan worden omgezet. In het tweede deel (Quo Vadis Paupertas) wordt het BI dan ook vis-à-vis de Europese welvaartsstaten geplaatst. Na een kort historisch overzicht worden de prestaties qua armoedebestrijding van de verschillende welvaartsregimes binnen het Europees Sociaal Model (ESM) vergeleken. Die focus op armoedebestrijding is logisch; het is immers utopisch te veronderstellen dat iemand die in armoede leeft de vrijheid heeft om te kiezen voor een weloverwogen levenspad. Uit de analyse blijkt dat welvaartsstaten wel degelijk wérken (het armoederisico wordt gemiddeld met 9,5% verminderd) maar dat er onderling bijzonder grote verschillen zijn en dat zelfs het best presterende regime gemiddeld nog steeds met een armoederisico van 11% kampt. Deze resultaten worden vergeleken met de mogelijke merites van een BI. Hieruit blijkt dat het BI contemporaine welvaartsstaten kan versterken in hun strijd tegen armoede omwille van de universaliteit waarmee het wordt verstrekt.
Omdat het utopisch is te denken dat een verstrekkend voorstel als het BI in een beweging ingevoerd kan worden ga ik in het derde deel (Quo Vadis Europa) na of het ideaal van een Sociaal Europa bereikt kan worden door middel van een graduele invoering van het BI. Die implementation by stealth bestaat er in eerste instantie in een BI te implementeren voor een welafgelijnde categorie van mensen. Uit de meest recente cijfers van Eurostat blijkt dat vooral ouderen en pensioengerechtigden een groot risico lopen om in financiële armoede verzeild te raken. Dit in ogenschouw genomen met de demografische evoluties en het vergrijzingsdebat, en gegeven de instrumenten (OCM en het principe van de subsidiariteit) die beschikbaar zijn op het niveau van de EU, doe ik finaal het volgende voorstel: de invoering van een universeel basispensioen (UBP) in de EU op het welvaartsniveau van de lidstaten. Dit UBP moet verstrekt worden door de lidstaten zelf, volgens het subsidiariteitsprincipe, maar wordt verplicht vanuit de Unie door een verankering in het verdrag. De lidstaten die dit financieel niet meteen kunnen dragen kunnen rekenen op steun vanuit de Unie. Daarvoor overweeg ik een aantal financieringsbronnen, zoals een Europese belasting op kerosine of energiegebruik, en een reallocatie van het landbouwbudget.
Dit universeel basispensioen vormt een praktisch voorstel om financiële armoede bij Europese ouderen uit te bannen als eerste stap richting de invoering van een volwaardig basisinkomen in de EU. Maar ook en vooral om de Europese Unie te laten evolueren naar een rechtvaardig en sociaal Europa.
MOTIVATIE
Een thesis schrijft men niet in een vacuüm maar in de context van een samenleving met een politieke en een sociale realiteit. En die realiteit is hard. Ook in het rijke Westen blijken armoede en sociale uitsluiting nog steeds schijnbaar onoplosbare problemen te zijn. Parallel met deze vaststelling is er een publiek (vaak hysterisch) debat over de vergrijzing en de (on)betaalbaarheid van de pensioenen en de identiteitscrisis van de Europese Unie. Vanuit een onvrede met de misstanden in onze samenleving, gekruid met een dosis naïef idealisme heb ik getracht op basis van een stevig filosofisch fundament (hoe moet de ideale samenleving eruit zien?) een praktisch voorstel uit te werken om op deze drie domeinen (vergrijzing, armoede en de EU) vooruitgang te boeken of toch op zijn minst het debat te verbreden. Om ooit het ideaal van een Europa, waar armoede uitgebannen is en mensen hun eigen keuzes kunnen maken, te bereiken. Het ideaal van een Europa dat niet alleen economisch maar ook een sociaal gelaat vertoont. Want het sociale aspect is een, ook nu nog, al te vaak vergeten dimensie.