Opiniepoll

Vindt u Herman Van Rompuy geschikt om de eerste Europese president te worden?

ja
nee
geen mening

Registreer mijn stem Bekijk de overige resultaten

Nieuwsbrief

Gelieve uw emailadres in te geven.

Het Verdrag van Lissabon

  A+ A-

1) Wat is het?

Sedert 2004 traden maar liefst 12 nieuwe lidstaten toe tot de Europese Unie. Efficiënt samenwerken met de huidige 27 is dan ook geen sinecure. Daarom startte de EU al in de jaren '90 met pogingen om de instellingen te hervormen. Dat bleek geen eenvoudige opdracht. Het Verdrag van Amsterdam ('97) was een mislukking. Het Verdrag van Nice ('00) was een betere poging, maar slaagde er ook niet in grondige hervormingen door te voeren. Derde keer moest de goede keer worden. Met de Europese Grondwet ('04) creëerde men een consistent geheel dat de instellingen grondig aanpaste. Deze Europese Grondwet werd echter in een referendum in Frankrijk en Nederland afgeschoten. Het resultaat was dat de EU twee jaar lang in een impasse terecht kwam. Het Duitse voorzitterschap (1e helft 2007) was vast van plan weer dynamiek in het Europese integratieproces te brengen. In juni 2007 kwam het Hervormingsverdrag uit de bus. Op de top in Lissabon van oktober 2007 werden de laatste problemen uit de weg geruimd en keurden de staats- en regeringsleiders van de lidstaten het verdrag goed. Dit tot “Verdrag van Lissabon” omgedoopte hervormingsverdrag neemt heel wat nieuwe elementen uit de Grondwet van 2004 over en komt tegemoet aan bepaalde bekommernissen van de lidstaten.

De oorspronkelijke werktitel ‘Hervormingsverdrag’ verwijst naar de ‘hervormingen’ die het Verdrag van Lissabon toebrengt aan het Verdrag van Nice en de vroegere verdragen. Dit in tegenstelling tot de grondwet van 2004, die eigenlijk alle bestaande verdragen en de wijzigingen daaraan in één tekst bundelde en deze zo kon vervangen. In de volgende paragraaf komen de opmerkelijkste hervormingen van het Verdrag van Lissabon aan bod.

2) Opmerkelijke veranderingen

Bevoegdheden van de Europese Unie
Er wordt meer nadruk gelegd op het tegengaan van de klimaatverandering en het energievraagstuk. Verder zal de Unie door een nieuwe "sociale" clausule rekening houden met het bevorderen van een hoog werkgelegenheidsniveau en een "hoog niveau van onderwijs, opleiding en bescherming van de volksgezondheid".

Veranderingen in stemsysteem
Dubbele meerderheid wordt de regel voor de stemmenmethode in de Ministerraad. Een voorstel wordt aanvaard als 55% van de lidstaten (min. 15), 'ja' stemt en als de ministers die 'ja' stemden 65% van de EU-bevolking vertegenwoordigen. Uitzondering op de regel zijn buitenlands- en veiligheidsbeleid, sociaal beleid en fiscaliteit. Over deze onderwerpen moet nog steeds met unanimiteit worden beslist. Het ‘vetorecht’ vervalt dus voor samenwerking op vlak van politie en justitie. Dit systeem van dubbele meerderheidsbeslissingen wordt pas vanaf 2014 toegepast. Tot die datum geldt het huidige stemsysteem, daarna volgt een overgangsperiode tot 2017.

Aanpassingen aan de instellingen
De Europese Raad wordt pas nu officieel erkend als een Europese instelling. De Raad krijgt meteen ook een permanente voorzitter, een 'president' (op dit moment Herman Van Rompuy). Deze voorzitter wordt vanaf 2009 verkozen voor 2,5 jaar (1 keer verlengbaar). Dit systeem vervangt het halfjaarlijks roterende voorzitterschap.

Er komt een Hoge Vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid (op dit moment Catherine Ashton) die de Hoge Vertegenwoordiger en de eurocommissaris voor Buitenlandse Zaken vervangt. Deze “minister van Buitenlandse Zaken” mag de Europese Unie alleen vertegenwoordigen op onderwerpen waar de lidstaten het allemaal over eens zijn.

Ook het aantal europarlementsleden vermindert: vanaf 2009 zijn dat er 753 (+1 voorzitter) in plaats van de vroegere 785. Ook België zal hierdoor 2 zetels moeten inleveren, waardoor ons land vanaf 2009 nog slechts 22 zetels in het Europees Parlement zal bezetten.

Meer democratie
Om de democratische controle te versterken krijgen de nationale parlementen meer invloed binnen de EU. Eén derde van de nationale parlementen kan de Commissie vragen een voorstel aan te passen, als ze vinden dat het beter nationaal dan Europees kan geregeld worden. Dit wordt de gele kaart-procedure genoemd. Deze procedure wordt aangevuld met de oranje kaart-procedure: als meer dan de helft van alle nationale parlementen tegen een voorstel van de Commissie is, moet deze beslissen of ze ermee doorgaat. Als de Commissie haar plannen doorzet, kan de Ministerraad met 55% van de stemmen, of een meerderheid in het Europees Parlement, het hele voorstel naar de prullenmand verwijzen.

Het Europese Parlement krijgt meer inspraak. Op het gebied van landbouw, structuurfondsen, handelsbeleid en deels voor justitie, migratie en politiezaken heeft het Europees Parlement medebeslissingsbevoegdheid gekregen. Dat wil zeggen dat het ook op die terreinen net zoveel inspraak krijgt als de Raad van Ministers en voorstellen kan blokkeren. Het parlement wordt daarmee mede-wetgever.

Recht op burgerinitiatief: Ook de EU-burgers krijgen meer inspraak. Ze kunnen een wetsvoorstel op de Europese agenda zetten, indien ze één miljoen handtekeningen uit 'een significant aantal' lidstaten verzamelen.

Versterkte samenwerking
Lidstaten die op een bepaald beleidsdomein hun samenwerking willen uitdiepen, kunnen dit. Er moet minstens één derde van de EU-landen participeren.

Uitstapclausule
Lidstaten kunnen, na overleg, uit de Unie stappen.

Het 'Handvest van de Grondrechten'
Het Handvest van de Grondrechten houdt de neergepende basisrechten van de Europese burgers in. Hieronder vallen bijvoorbeeld het recht op waardigheid, vrijheid van vereniging, gelijkheid ... Dit Handvest is niet in het nieuwe verdrag opgenomen, maar wordt vermeld in een apart protocol. Het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Polen weigeren dit Handvest als bindend te erkennen.

De Europese symbolen
De symbolen van de EU (vlag, volkslied, nationale feestdag…) die waren opgenomen in de Grondwet, verdwijnen uit het verdrag (maar blijven gewoon bestaan). Wel hebben 16 lidstaten in een aparte verklaring laten opnemen dat ze de Europese symbolen als dusdanig erkennen.

3) Wanneer trad het in werking?

Op 13 december 2007 werd het Hervormingsverdrag – omgedoopt tot het ‘Verdrag van Lissabon’ - officieel ondertekend. Hiermee was de kous echter niet af. De nationale parlementen moesten het verdrag nog ratificeren, een stap waar het in 2004 met de grondwet fout liep.

Ook de ratificatie van het Verdrag van Lissabon liep niet van een leien dakje. Zo stemden de Ieren in een referendum in 2008 tegen het verdrag. Enkel Ierland was bij grondwet verplicht een referendum over de goedkeuring te houden.
De Commissie vroeg de Ieren zelf met een oplossing te komen. Ze stelden voor een nieuw referendum te organiseren, mits enkele toegevingen. Zo willen ze niet dat de Europese Commissie verkleind wordt: elk land moet een eigen vertegenwoordiger in de Europese Commissie behouden. Daarnaast werd vastgelegd dat de Ierse regels rond abortus en euthanasie niet worden aangetast. Ten slotte mag de EU geen extra bevoegdheden krijgen op vlak van belastingswetgeving en defensiebeleid. Na concessies keurden de Ieren in 2009, tijdens een tweede referendum, het verdrag goed.

Niet enkel Ierland zette een rem op de ratificatie, ook in Duitsland, Polen en Tsjechië duurde het lang voordat de president het verdrag ondertekende. Na de goedkeuring door alle EU-landen trad het verdrag in werking op 1 december 2009.

4) Voor- en tegenstanders

Al meer dan tien jaar probeert de Unie zich aan te passen aan het groeiend aantal lidstaten. Na de impasse waarin de EU door de afwijzing van de grondwet in 2005 was beland, brengt het Verdrag van Lissabon terug dynamiek in het Europese proces. De wijzigingen opgenomen in dit verdrag geven de EU opnieuw slagkracht: Er kan vlotter beslist en bestuurd worden. Het Verdrag van Lissabon komt dus tegemoet aan een zeer dringende noodzaak. Verder maakt het verdrag de Unie niet alleen krachtiger, maar ook democratischer. Zo krijgen het Europees parlement en de Europese burgers meer zeggenschap.

Toch valt over dit nieuwe verdrag ook heel wat kritiek te horen. De meest gehoorde opmerking is dat dit verdrag - en zeker vergeleken met de grondwet van drie jaar geleden - onoverzichtelijk en dus ontoegankelijk is.  Het bevat enkel de wijzigingen aan vorige verdragen en is daardoor geen doorlopende tekst, maar een aaneenschakeling van verwijzingen. Je moet er al het Verdrag van Nice bijnemen om de echte impact van de veranderingen te kennen.

De tweede meest gehoorde kritiek is dezelfde als in 2004: Het verdrag zou - net als zijn voorganger - veel te neoliberaal zijn.

Feit blijft dat de EU dringend aangepast moet worden aan een werking met 27 – en misschien nog meer – leden. De toekomst zal uitwijzen of dit met het verdrag van Lissabon zal gebeuren, of niet.