Het Europluspact: de beste keuze?
Het Europact is een poging om de concurrentiekracht van de EU-lidstaten te verhogen door grotere economische convergentie tussen landen. Er kan echter heel wat kritiek geformuleerd worden hoe men dit concreet invult.
Pieter Rondelez volgde EU-studies aan de UGent en is vrijwilliger bij Ryckevelde vzw. Hij geeft ons zijn visie op het Europluspact. (augustus 2011)
Ten eerste kan men kritiek leveren op de methode waarop het europact steunt. Deze is voornamelijk intergouvernementeel en geeft dus weinig macht aan de officiële instellingen van de EU, maar wel aan de regeringsleiders. Bovendien kunnen heel wat vraagtekens geplaatst worden bij de open-coördinatiemethode. Bij deze methode maakt men gebruik van groepsdruk en gelooft men dat sancties hierdoor overbodig zijn.
In feite kan men het verhaal van het europact zien als een poging tot sterkere economische integratie waarbij hevige debatten gevoerd worden tussen intergouvernementalisten en diegenen die meer een communautaire methode voorstaan.
Veel belangrijker is echter de focus te verschuiven van het institutionele luik en wat dit kan betekenen voor een verdere verdieping van het Europese project naar de inhoud van het europact en wat dit betekent voor de EU-burger.
Desondanks de open-coördinatiemethode ligt het te volgen pad duidelijk vast: het plan is er voornamelijk op gericht om de EU-lidstaten in een erg strak budgettair keurslijf te duwen om zo de stabiliteit van de euro te garanderen en om de prijsstabiliteit te handhaven.
Men maakt geen ridicule uitvergroting door te stellen dat prijsstabiliteit en een stabiele euro het alpha en omega zijn binnen het economische eenheidsdenken in de huidige post -Washington consensus.
We moeten ons afvragen of dit wel de juiste oplossing is om de welvaart binnen Europa, en bij uitbreiding de rest van de wereld, te garanderen of te verbeteren. De ‘operatie bezuiniging’ is erg kortzichtig om twee redenen:
Ten eerste kunnen de bezuinigingsmaatregelen een negatief effect hebben op het economische herstel. Door tekorten op de overheidsbestedingen en salarissen van ambtenaren, krijgt het bedrijfsleven minder opdrachten van overheden en daalt de koopkracht van gezinnen.
Bovendien zullen de gevolgen van de bezuinigingsmaatregelen vooral de gewone burger treffen. Volgens de vakbonden zijn de overheden en banken verantwoordelijk voor het uitbreken van de kredietcrisis en de huidige schuldencrisis. De drang naar bezuinigingen betekent voor de gewone burger dat men tweemaal dient op te draaien voor een crisis waarvoor men onmogelijk verantwoordelijk kan worden geacht.
Misschien is het tijd dat een nieuwe Thomas Paine opstaat die ons het inzicht verschaft dat om het huidige democratische bestel te redden het tijd is voor een nieuwe wijsheid: ‘no economization without representation.’ Veel belangrijker is dat de logica die men verleent aan het europact op lange termijn niet meer opgaat: ‘operatie bezuiniging’ is namelijk erg kortzichtig omdat de economie nog geen echte sterke groei kent, maar vooral omdat inflatie als een zwaard van Damocles boven de wereld hangt.
Het Europact is op korte termijn de slechtst mogelijke oplossing om inflatie tegen te gaan, omdat de inflatie die ons te wachten staat niet conjunctureel (door een snel groeiende economie), maar voornamelijk structureel zal zijn: energieprijzen zullen omwille van schaarste een sterke piek kennen wanneer we ons baseren op rapporten van het IEA (o.a. 2009), voedselprijzen zullen alleen maar duurder worden, …
Daarom is wat de sociaal- democraten voorstellen met hun Groeipact veel meer gericht op de lange termijn.
We maken nog twee korte opmerkingen over het sociaal-democratische gehalte van het pact:
Ten eerste kan het europact beschouwd worden als een verdieping van het democratisch deficit van Europa, omdat Europa een sterkere controle verwerft op de nationale begroting waarbij ze deze kan wijzigen nog voor het nationaal parlement inzage krijgt.
Donkere tijden voor democratie zijn daarmee aangebroken: ondanks de Arabische lente is er van enige dooi van Rabat tot Amman weinig sprake en ook in Europa begint het stilaan te vriezen.
Tegenstanders van dit argument zullen ongetwijfeld de term ‘out – put democratie’ in de mond nemen waarbij voornamelijk naar de uitkomst van politieke besluitvorming moet gekeken worden en waarbij er zeker geen vragen gesteld hoeven te worden bij het nemen van die beslissingen. Op die manier kan men alles democratie noemen, wat uiteindelijk neerkomt op plat populisme.
Ten tweede staan we kort stil bij de gevolgen van het pact voor een ‘sociaal Europa’. Scharpf stelde in zijn werk dat er de voorbije decennia een fundamentele asymmetrie ontstaan was in de EU: enerzijds beschikt de EU over een breed arsenaal aan instrumenten om de markt te liberaliseren en te dereguleren, maar anderzijds zijn de mogelijkheden om op Europees niveau te herreguleren een stuk beperkter.
Hij stelt dat beide sferen gaandeweg ontkoppeld zijn geraakt en het geen wonder is dat de EU de neiging heeft om in één richting te lopen, naar rechts. Een belangrijke kritiek op Scharpf’s analyse was dat zijn voorspelde ‘race to the bottom’ (op sociaal vlak tussen lidstaten) niet echt heeft plaatsgevonden.
Met de huidige ontwikkelingen binnen het Europese bestel is het zeer interessant te kijken of de voorspelling van Scharpf werkelijkheid wordt waarbij de economische logica de sociale historische overwinningen helemaal ‘ausradiert’ doordat lidstaten steeds verder gaan in hun budgettaire sanering om zo de slechte leerlingen van de klas onder druk te zetten.



