Het EU-Klimaatplan
Enorme ijsmassa’s breken af op Zuidpool, extreme droogte in Hoorn van Afrika, zware overstromingen in Thailand. Klimaatverandering is de laatste jaren niet meer uit de actualiteit weg te denken. De EU spant zich zowel op Europees als op internationaal niveau in om klimaatverandering tegen te gaan.
In januari 2008 presenteerde de Europese Commissie haar voorstel tot klimaatplan. ‘Een historisch plan’, zo luidden de persmededelingen, ‘dat goed is voor de planeet, de economie en de burgers’. In 2013 treedt het klimaatplan in werking.
(Laatst bijgewerkt: februari 2012)
Download hier de PDF en printbare versie van deze infofiche.
Achtergrond
Met het plan wil de EU het energieverbruik verminderen zodat ze minder afhankelijk is van energie-import, wil ze haar positie aan de wereldtop op vlak van energietechnologie versterken en wil ze vooruitlopen op een nieuw wereldwijd milieupact. In 2012 loopt het Kyoto-protocol immers af.
In december 2008 werkte de Europese Raad het voorstel van de Commissie verder uit en enkele dagen later keurde het Europees Parlement het goed. In 2013 treedt het klimaatplan in werking.
1) Wat houdt het plan in?
Het 20-20-20-plan legt Europa 3 ambitieuze doelstellingen op. De Europese Unie moet tegen 2020 de uitstoot van CO2 met 20% terugdringen, het energieverbruik met 20% doen dalen en het aandeel hernieuwbare energie tot 20% optrekken ten opzichte van het niveau in 1990. Bovendien moet 10% van de brandstof van de transportsector uit biobrandstof bestaan.
Die 20%-maatregelen zijn een Europees gemiddelde en de inspanningen worden nationaal verdeeld (zie 'welke inspanningen België moet leveren?').
2) Hoe wil de EU die doelstellingen bereiken?
1. 20% minder CO2-uitstoot
Tegen 2020 moeten de lidstaten samen 20% minder CO2 uitstoten. De inspanningen werden verdeeld over de lidstaten. De Oost- en centraal Europese landen verkregen voor hun energiesector wel nog een uitzondering.
Veiling
Tot nu toe werden emissierechten (recht om een bepaalde hoeveelheid CO2 te mogen uitstoten) gratis aan bedrijven toegekend. Als ondernemingen rechten over hadden of behoefte hadden aan extra rechten, dan konden ze die rechten verhandelen. De prijs werd vastgesteld via de markt van vraag en aanbod. Al snel bleek dat er teveel emissierechten waren uitgedeeld waardoor de prijs in elkaar zakte.
Vanaf 2013 zouden minder emissierechten gratis worden toegekend, maar zal 60% via een veilingsysteem moeten worden gekocht. Zo worden sommige bedrijven voor de keuze gesteld: productiemethodes aanpassen of extra belastingen betalen, in de vorm van het aankopen van uitstootrechten op een veiling. De opbrengst van die veiling wordt herverdeeld onder de EU-lidstaten en moet geïnvesteerd worden in hernieuwbare energiebronnen.
Het doel was dat alle bedrijven, dus ook de zware industrie, zouden moeten betalen voor uitstootrechten, maar onder druk van enkele lidstaten kwamen er enkele wijzigingen. Bovendien kwam de economische crisis als een godsgeschenk voor al wie het klimaatplan wou afzwakken.
Onder druk van Duitsland en Italië moet de zware industrie in 2013 slechts 20% van zijn rechten kopen. Dit zal stapsgewijs oplopen tot 100% in 2025. Het leeuwendeel van de industriële sector krijgt echter gratis emissierechten om het risico op koolstoflekken - dit is het verhuizen van bedrijven naar regio’s waar geen uitstootbeperkingen gelden - te verkleinen.
De energiesector zal wel vanaf 2013 zijn emissierechten in een veiling moeten kopen, maar de Oost-Europese lidstaten hebben uitzonderingen verkregen omdat zij nog voor een groot deel elektriciteit opwekken via vervuilende koolcentrales en voor hun energiebevoorrading voor een groot deel afhankelijk zijn van Rusland. Pas vanaf 2020 moeten zij voor hun uitstoot betalen. Polen drong het hardst op deze uitzonderingen aan. De Oost-Europese landen kunnen bovendien rekenen op een solidariteitsbijdrage van de rijke landen. Dat is een potje dat opzij wordt gezet uit de opbrengsten van de emissiehandel.
Landbouw, bouw, transport en diensten vallen buiten de emissiehandel en krijgen nationale doelstellingen voor CO2-uitstoot mee. Voor de hele EU moet er een daling van 10% komen in vergelijking met 2005.
Clean Development Mechanism
Ook via het Clean Development Mechanism (CDM) van het Kyotoverdrag kan de EU haar doelstellingen halen. Het komt erop neer om te investeren in uitstootbeperkende projecten in het Zuiden. Dergelijke projecten kan je dan laten meetellen voor het behalen van je nationale doelstelling. Op basis van cijfers van de Europese Commissie werd berekend dat Europa zo tot 80 procent van haar doelstellingen zou kunnen halen. Wat die investeringen voor het Zuiden betekenen, is helaas nogal vaag.
Joint implementation
Ook investeringen in andere industrielanden kunnen worden in rekening gebracht. Landen kunnen zo binnen de EU, ‘samen’ hun doelstellingen halen. Maar deze investeringen kunnen ook in industrielanden buiten de EU worden gedaan.
CO2-opvang en -opslag
Er is ongeveer 300 miljoen euro voorzien voor 12 proefprojecten met CO2-opvang en ondergrondse -opslag. Via dit proces wordt CO2 opgevangen, via buizen vervoerd en diep onder de grond opgeslagen. De CO2 die voor onbeperkte duur wordt opgeslagen, draagt niet bij aan de klimaatverandering.
2. 20% minder energieverbruik
De EU stelt strengere regels op voor milieuvervuilende producten: zo mogen gloeilampen sinds 2012 niet meer verkocht worden. Bovendien moeten fabrikanten auto’s maken die minder brandstof verbruiken en zuinigere elektronische apparaten.
3. 20% meer hernieuwbare energie
De 27 lidstaten zullen fors moeten investeren in o.a. wind-, zonne-energie en biomassa om tegen 2020 20% meer alternatieve energie te verkrijgen. Ook hier kunnen buitenlandse investeringen voor een stuk in rekening worden gebracht.
Europa heeft er alle baat bij om resoluut voor hernieuwbare energie te gaan. Het is immers de ideale manier om de energie-import af te bouwen: Europa koopt nu de helft van haar energie buiten de EU aan.
10% biobrandstof
De EU wil dat in 2020 10% van de brandstof van de transportsector uit biobrandstof bestaat. Er zijn afspraken gemaakt dat enkel biobrandstoffen gebruikt worden die geen negatieve invloed op het milieu hebben. Dit moet ook het gebruik van elektrische auto’s stimuleren.
3) Wat zijn de gevolgen voor België?
Ons land moet tegen 2020 13% van het energieverbruik uit hernieuwbare energie halen en een kleine helft daarvan moeten we zelf produceren. In 2010 zaten we slechts aan 4,8% hernieuwbare energie. België is op geografisch vlak echter weinig geschikt voor een grote elektriciteitsproductie uit hernieuwbare bronnen. Mogelijkheden voor stuwmeren zijn er nauwelijks of niet en de zon laat het vaak afweten. Wind hebben we wel, maar veel plaats om krachtige windmolens te plaatsen is er evenmin. Dankzij de operationalisering van het windmolenpark op de Thorntonbank voor de kust van Oostende en de lancering van andere windenergieprojecten, stak België wel al een tandje bij om de doelstelling te halen. De Belgische overheid en bedrijven zullen echter ook zwaar moeten investeren in hernieuwbare energieproductie in het buitenland om de 13% te halen. Die inspanningen leveren certificaten op die een lidstaat in rekening mag brengen.
De EU verwacht van België een broeikasgasreductie van 15% tegen 2020 (in vergelijking met 2005) voor de sectoren die niet onder de emissiehandel vallen, zoals transport, huisvesting (verwarming, airco), landbouw en afvalverwerking. Aangezien we nog ver van de doelstelling verwijderd zijn, zal België beroep moeten doen op dure maatregelen om de norm te halen.
Wat de biobrandstof betreft, heeft België een achterstand in te halen. In 2010 was slechts 3,8% van de diesel en benzine die we tanken bio.
4) Wat is het kostenplaatje?
Het hele masterplan zal Europa 90 miljard euro kosten. De Belgische factuur wordt op ongeveer 3 miljard euro geraamd of 0,7% van het bnp. Indien we echter niets zouden ondernemen, zo berekende de Britse econoom Nicholas Stern, dan zou dat de Europeanen tien maal zoveel kosten.
5) Wat na Kyoto?
Met het Europese 20-20-20-plan wilde Europa een krachtig signaal geven aan de internationale gemeenschap die eind 2009 in Kopenhagen samenkwam. Bedoeling was om een opvolger voor het Kyoto-akkoord uit te werken die bindende emissiereducties voor alle geïndustrialiseerde landen zou vastleggen. De uitkomst, een niet-bindend akkoord, was minder ambitieus dan de EU gehoopt had.
Op de wereldwijde klimaattop in Mexico van eind 2010 kwam wel een akkoord uit de bus. De deelnemende landen bevestigden er o.a. dat de gemiddelde wereldwijde temperatuurstijging niet hoger mag zijn dan twee graden. Juridisch bindende doelstellingen kwamen er niet. Ook bereikten ze geen akkoord over de verlenging van het Kyoto-protocol.
Eind 2011, op de wereldwijde klimaattop in Zuid-Afrika, beslisten de deelnemers om het Kyoto-protocol op vrijwillige basis te verlengen tot 2017of 2020. Daarnaast zijn ze het ook eens geraakt om tegen 2015 tot een wereldwijd klimaatplan te komen. Dat akkoord zou tegen 2020 moeten ingaan. Ook over het Groene Klimaatfonds hakten ze de knoop door: vanaf 2020 moet het fonds met 74 miljard euro landen uit het Zuiden helpen met het bestrijden van klimaatverandering.
Het probleem met Kyoto is dat een belangrijke vervuiler als de VS, dit akkoord niet heeft bekrachtigd. Daarnaast kan je eerder spreken van beloftes en intenties. Juridisch zijn deze beloftes niet bindend.
De vraag is nu of de EU zich tot haar minimumdoelstelling zal beperken (een vermindering van de CO2-uitstoot met 20%) of zich – ondanks het ontbreken van een internationaal bindend akkoord – toch zal engageren om 30% minder CO2 uit te stoten.
.
6) Links
http://ec.europa.eu/clima/policies/package/index_en.htm
http://ec.europa.eu/energy/renewables/index_en.htm
http://www.europa-nu.nl/id/vhesf063wxu9/europese_aanpak_klimaatverandering



